Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes en zeide: Laat ons vrijmoediglijk optrekken en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen.

Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij

 

Numeri 13: 30 - 31

 

HOREN OF ZIEN

U kent wel het gezegde: “wie ver reist, kan veel verhalen”. Zo’n reisverhaal is vaak interessant, maar altijd heel subjectief. We zien het land of de plaats door de bril van de reiziger. Dingen die zijn of haar belangstelling hebben worden breed uitgemeten. Andere dingen zullen niet worden genoemd of slechts kort worden aangestipt. Vandaar ook, dat wanneer twee mensen hetzelfde land bezoeken, er twee verschillende reisverhalen komen. Soms kunnen die helemaal tegengesteld zijn. De ťťn is lyrisch, terwijl de ander veel minder enthousiast is.

 

Twee tegenovergestelde reisverhalen: zo zou je bovenstaand gedeelte kunnen noemen. We horen de verhalen uit de mond van een twaalftal mensen die het land Kanašn hebben verkend. Het volk IsraŽl stond aan de grens en voordat men het land zou gaan binnentrekken, leek het verstandig om eerst een paar verkenners daar naartoe te laten gaan. Die zouden poolshoogte moeten nemen en kijken waar de vruchtbare en onvruchtbare streken waren. En zeker zou men ook moeten proberen in te schatten welke tegenstand verwacht moest worden als het volk straks daadwerkelijk daar zou gaan wonen.

 

Twee verslagen

Veertig dagen lang zijn de verkenners door het land getrokken. En nu zijn ze terug. Ze hebben vruchten geplukt die ze het volk laten zien. Het is inderdaad een prachtig land, waar het goed wonen zal zijn. Daar zijn alle verkenners het over eens. Maar daarmee houdt de overeenstemming ook meteen op. Want er blijkt verschil van mening te zijn tussen tien verkenners aan de ene kant en twee aan de andere kant. Tien verkenners zeggen: het volk dat in Kanašn woont is sterk. En hun steden zijn ommuurd en groot. Ook hebben we heel wat reuzen gezien. Wij waren als sprinkhanen in hun ogen.

Deze tien verkenners zien het daarom niet zitten om het land binnen te trekken. Dat zou op een groot fiasco uitlopen, zo is hun mening. En ze steken hun angstgevoelens niet onder stoelen of banken, maar tonen die aan jong en oud binnen het kamp van de IsraŽlieten.

 

Begrijpelijk dat hun reisverslag grote beroering gaf onder de mensen. Velen werden bang en huilden de hele nacht. Hoe moest het toch verder? Die lange, zware woestijnreis kon hier toch niet eindigen? Sommigen klaagden: Och waren we toch maar Egypte gestorven. Of in de woestijn. Anderen zeiden: laten we iemand aanstellen die ons terugbrengt naar Egypte.

 

Een heel ander geluid lieten twee van de twaalf verkenners horen. Jozua en Kaleb heetten ze. Zij zeiden: we kunnen gerust het land binnen trekken. We zullen de tegenstanders zeker kunnen overmeesteren. We hoeven echt niet terug.

Hadden Jozua en Kaleb dan niet die versterkte steden gezien? Zeker wel. Of was het hun misschien ontgaan dat de bewoners groot en sterk waren? Nee, helemaal niet. Alleen: dat was voor hen niet het ťťn en al. Bepalend was wat God had beloofd! Als Hij beloofde dat zij in dat goede land zouden mogen gaan wonen - en dat had Hij gedaan! - dan konden ze daarop vast vertrouwen. Ondanks alles wat misschien het tegendeel leek te bewijzen.

 

Twee principes

Voor die tien verkenners hadden Gods beloften op dat moment geen enkele betekenis. Voor hen was bepalend wat voor ogen was. In hun verslag valt op dat ze steeds weer zeggen: “wij hebben gezien”. Meer dan de zichtbare werkelijkheid was er voor hen eigenlijk niet.

De twee, Jozua en Kaleb, leefden uit een ander principe. Nee, niet uit het principe: “we moeten het er maar op wagen, het zal best wel goed komen”. Het principe waaruit Jozua en Kaleb leefden was: “Wij hebben gehoord”. We hebben het ťťn en ander uit Gods mond gehoord. En van daaruit bekijken we de dingen. Ons zicht op het leven en alles wat zich daarin voordoet, wordt bepaald door wat God tegen ons heeft gezegd.

 

Geloofshouding

Die houding van Jozua en Kaleb is de houding van het geloof. Het geloof leeft uit wat het gehoord heeft. Nee, daarmee is niet gezegd dat er dan geen oog is voor de werkelijkheid. Die werkelijkheid kan heel donker zijn. Er kan sprake zijn van ziekte, moeite en verdriet. Maar het geloof weet meer omdat het gehoord heeft dat God Zijn eigen Zoon heeft uitgezonden naar deze wereld. En dat in Hem, Jezus Christus, vergeving, kracht, troost en eeuwig leven te vinden is.  Waar het geloof in een mensenleven de boventoon voert, daar vallen lichtstralen door de duisternis heen. Daar wordt houvast en uitzicht ervaren in welke hopeloze situatie we ons ook bevinden.

 

Wie leeft bij wat hij ziet, zal weinig rust en vertrouwen ervaren. Immers: wat kan veel van wat je ziet gebeuren, je benauwen. Je denkt: hoe moet dit verder? Waar zal dit allemaal op uitlopen? Je houdt je hart vast.

Maar wie leeft bij wat hij uit Gods mond hoort, zal juist veel rust en vertrouwen ervaren. Je weet: Hij staat overal boven. De dingen lopen Hem niet uit de hand. Integendeel. Hij leidt alles naar het doel dat Hij voor ogen heeft. En bij Hem mag ik schuilen. Hij is een veilige Schuilplaats. Om Christus’ wil.

We kunnen maar beter leven bij wat we horen dan bij wat we zien.

 

Ds. D. van der Zwaag